Omslag
DE VERSCHROEIDE VEER

TAIS TENG



Atlantis ongezonken 2
excerpt

















1


Amsterdam:

Die nacht droomt Gerard dat hij een engel is en hoog boven de aarde zweeft. Hij geeft een lome vleugelslag en ziet dat zijn veren modieus geblakerd zijn. Door de slagpennen zit een dozijn overmaatse veiligheidsspelden gestoken en hij draagt een leren jack.
    Ik ben Rufus! denkt hij opgetogen. Rufus is een punkengel en een van Gerards drie zielen. Rufus is ubercool en onverschrokken, met een kleurige hanenkam en de uitdagende blik van de volkomen foute man. Rufus is de de reden dat Acacia van hem houdt, vermoedt Gerard. Hij heeft ongelijk: zo oppervlakkig is de liefde van een boomnimf niet.
    Hij kijkt omlaag en omdat het Rufus is die omlaag blikt, tuurt hij dwars door de wolken heen. Rechts achter de kromming van de aarde liggen de Rocky Islands of America, kale bergtoppen die maar net boven de zee uitsteken. Lager schemert Ynish, het eiland van de saurussen waar elk paleis een porseleinen ei is. Dan Manitou, schitterend Huy Brasyll.
    Links van Spanje, in de navel van de wereld, regeert Atlantis. De hoofdstad Poseidonis is een wit juweel in het subtropisch groen.
    Hij verscherpt zijn blik en de grachten van Poseidonis doemen op. Een ware schietschijf van concentrische grachten met meer bruggen dan een marathonloper in een heel leven kan oversteken. De citadel van tiran Dimitrios XI ligt in de roos: een rood granieten fort dat door een gebeeldhouwde monsterhand wordt opgeheven.
    Atlantis is de reden dat Amerika verzonk. Het eiland vormt het andere uiteinde van een geologische wip: zo lang zij boven het water uitsteekt, blijft Amerika onder de golven verzonken.
    ‘Kijk omlaag,’ zegt een geluidloze stem en Gerards blik zoomt prompt in. In het hart van Duitsland straalt het bodemloze meer, de Zwei-Engel-See.
    In de oorlog tussen de aartswezens vochten de generaal van de engelen en de Grote Opstandeling hoog in de hemel. Michael en Lucifer stortten omlaag, met een kielzog van hellevuur en zengend sterrenstof. Elk was te arrogant om als eerste zijn vleugels te spreiden om af te remmen en ze sloegen in als meteoren.
    De resulterende krater was honderden kilometers breed en onpeilbaar diep. Of het kratermeer werkelijk bodemloos is, kan niemand vertellen. Geen bathyscaaf heeft ooit de bodem bereikt.
    Het meer is een staalblauwe munt onder Gerard, met Dresden in het zuiden, Berlijn aan de noordoever.
    ‘De veer!’ zegt de geluidloze stem. ‘Wie de verschroeide veer van Lucifer Roncefale vasthoudt, kan al zijn duistere legioenen commanderen.’

De droom trekt langzaam weg en wat er voor in de plaats komt, is minstens even aangenaam. Het eerst voelt hij de warmte van Acacia’s atletische lijf. Ze geurt naar sterrenmos met dauwdruppels, piepkleine bosaardbeien en gentianen. Hij opent zijn ogen.
    ‘Ik droomde dat ik Rufus was,’ zegt hij.
    ‘Je bént Rufus,’ lacht ze en kust hem, wrijft zich tegen hem aan. Ze is soepel als een kat en vaak even krols.
    ‘Er was een geluidloze stem,’ zegt hij. ‘Hij waarschuwde mij voor een veer. Wie de veer van Lucifer vasthoudt, kan al zijn duistere legioenen commanderen.’
    Ze verstijft in zijn armen.
    ‘Een geluidloze stem is altijd een veeg teken. Het is een echo uit de toekomst. Geluidloos omdat die woorden nog niet gesproken zijn.’
    ‘Een voorspelling?’ vraagt Gerard.
    ‘Een waarschuwing. Maar de toekomst is nog niet nu en we hebben een half uur voor de wekker gaat.’ Acacia slaat haar armen om hem heen, drukt haar lippen op de zijne.



2


Berlijn:

Naar restjes van de Muur moet je echt zoeken, maar Honeckers Hek drijft nog steeds op de Zwei-Engel-See. Vanaf de kade kan Herman Wuppertal dobberende boeien zien en de zwaaiende wachttorens. Tussen de boeien slieren nog resten prikkeldraad waaraan guirlandes van alg bengelen. De getrainde zoetwaterhaaien uit de Sovjettijd zijn intussen bijna een bedreigde diersoort geworden en ze houden zich ver van elke boot. Toch blijft zwemmen nog steeds voor eigen risico.
    Herman Wuppertal beent over de kade, grote gehaaste passen. Zoals gewoonlijk kon hij zijn ogen die ochtend amper openwrikken en hij is al een half uur te laat. Niet dat een Doorluchtige Wachter van de Veer aan prikklokken hoeft te doen. Uit de witte dopjes van zijn iPod schalt ‘Guten Morgen Berlin’. De hese stem van Peter Fox maakt zelfs het grauwe ochtendlicht exotisch en hij kan de apen met hun trommels bijna door de straten zien marcheren.
    Een junk schuifelt op hem af, tikt aan zijn pet.
    ‘God zegene u.’ Zijn stem zakt tot gefluister. ‘Sterrenstof, meneer? Regelrecht van Michaels vleugels?’
    Herman schudt zijn hoofd: ‘Geen belangstelling.’
    De junk is opvallend schoon, glad geschoren, en hij ruikt naar groene zeep. Het is een lucht die Herman sinds zijn kindertijd niet meer geroken heeft. Meteen doemen de vervallen arbeidersflats weer op, de straten vol Trabanten. Toen was ik nog gelukkig,
    ‘Ik heb iets beters.’ De junk slaat zijn jas open, streelt een veer die in de gesp van zijn riem gestoken is.
    ‘Spoelde gisteren aan uit het meer. Zie de glans! De bovenaardse glans...’
    De veer ziet er allemachtig authentiek uit. Waarschijnlijk van een albatros of anders een knappe kopie in plastic. Vooral de Roemenen zijn daar goed in. De glans zal wel gemalen parelmoer zijn.
    ‘Geen belangstelling,’ herhaalt Herman.
    ‘Wat je met deze veer schrijft, wordt waar. Elke wens kan vervuld worden.’
    ‘Dat is de eerste keer dat ik zoiets hoor.’
    ‘Negentig euro, meneer.’
    ‘Ik dacht het niet.’
    De man slaat zijn jas dicht.
    ‘U had uw leven kunnen herschrijven, meneer Wuppertal,’ zegt hij over zijn schouder.
    Herman kijkt hem na. Hoe wist die man in vredesnaam zijn naam?
    Ach, natuurlijk. Zijn naamplaatje zit nog op zijn uniformjasje. Alle wachters betreden hun heiligdom achter het restaurant verkleed als ober.
    Wat je met deze veer schrijft, wordt waar.
    In het bekende sprookje van de gebroeders Grimm wordt met geen woord over de precieze krachten van de veren gerept. Simpele Hans vindt twee veren aan de oever van het meer. Ze stralen een bovenaardse gloed uit en moeten wel van engelen afkomstig zijn. Omdat hij simpel en oprecht is, gebruikt hij geen van beide veren en juist daardoor brengt hij het tot keurvorst van Beieren. Op zijn sterfbed geeft hij de veren aan zijn twee dochters.
    ‘Verberg ze waar geen mens door hun glans verleid kan worden. Ergens in een holle wilg of een grot die naar wilde-kattenpis stinkt. Nee, beter, stop ze in een ijzeren kist en werp die in een beerput.’
    Wie luistert er ooit naar de raad van een wijze ouder? De nakomelingen van Hans richtten uiteindelijk twee geheime ordes op die als enige taak het verbergen van de veren hadden. De veren zelf bleken onkwetsbaar: zelfs een witheet smidsvuur liet ze niet ontvlammen en ze kwamen ongeschonden uit een ertsmolen. De beschermers van de witte veer zetelden in Dresden. De andere veer werd eerst in Hannover en later in Berlijn bewaard.
    Herman schudt zijn hoofd. Typisch junkiegewauwel. Het ­sterrenstof waarover hij het had, was waarschijnlijk coke.


excerpt uit "Gestolen zielen" © 2014 Tais Teng
www.verschijnsel.net