banner17.png

fblogo

 

Marcel Orie: Bladerend door Japan

Foto’s door Jenny Hendriks

Marcel Orie is de auteur van de met reis- en leesindrukken doordrenkte Een masker met een tong en Een vuist vol tanden.

 

Lezen in Japan is een probleem.

     Zeker wanneer je, zoals ik, nauwelijks een woord Japans kent. Nou, geen woord: ik kan een handvol kanji herkennen, waaronder die voor man en vrouw (zodat ik het openbaar toilet kan bezoeken zonder al te veel oproer). Op een menukaart kan ik de tekens voor groot en bier eruit pikken, alsook voor sake (in warme of koude variant). Verder ben ik volledig aangewezen op de menukaarten met foto’s of de plastic modellen van de maaltijden die bij veel restaurants in de etalage staan. En in Japan kun je altijd blindelings vertrouwen op het model. Het teleurstellende McDonalds-gevoel (op de foto was de sla niet droevig verlept, het  broodje niet stofdroog, en de burger twee keer zo dik. Op de foto was het een echte plak kaas en leken zelfs de uienringen vrolijk.) In Japan doet de kok zijn uiterste best om de maaltijd precies te laten lijken op het model. En als ik schrijf ‘precies’, dan bedoel ik ‘exact’. What you see is what you get. Tot op de rijstkorrel.

 

Japan is een land waar veel gelezen wordt. Je ziet al die ontelbare forenzen met boekjes slepen, ongeveer evenveel manga als gewone kleine formaat leesboeken. Je hebt geen idee waarover al die boekjes moeten gaan. Een ongelooflijke hoeveelheid prachtige tekentjes, georganiseerd in kolommen die van onder naar boven, beginnend met de meest linker kolom op een pagina, gelezen moeten worden. En dan beginnen ze ook nog eens achterin het boek!

     Wie weet wat voor wonderlijke verboden boeken die zwijgzame treinreizigers tot hun beschikking hebben!

     Natuurlijk, een deel van het verdienstelijk oeuvre van beroemde auteurs als Haruki Murakami en nobelprijs­winnaar Kenzabur? ?e is ook voor de niet-Japans-lezenden beschikbaar. Maar toch blijft er altijd het knagende gevoel dat slechts het topje van de ijsberg zicht­baar is.

     Zucht. Ik koop op het station dan maar een nieuwe, wekelijkse Shonen Jump, om plaatjes kijkend de nieuwe avonturen van een inmiddels meer volwassen ogende Naruto te volgen.

     Natuurlijk: ik neem wat boeken mee in de spaarzaam ingepakte rugzak, die eenmaal uitgelezen achter gelaten worden bij een hotel of ryokan. Zo liet ik op de laatste reis Pictures from the Watertrade van John David Morley achter, een inzichtelijk en interessant boek, dat meer las als een reeks essays en anekdotes dan een roman. De titel is wat misleidend omdat slechts twee van de hoofdstukken over de waterhandel gaan en de rest over andere typische Japanse gewoonten en eigenschappen: hun taal, hun groepscohesie, de angst en afkeer naar buitenstaanders, het geloof en vertrouwen in (nood)lot, hun interesse in uniformen en hun badgewoonten.

     Maar bij een reis van een paar weken schiet het meegebrachte leesvoer al snel tekort. Gelukkig zijn er een handvol bevoorradingspunten voor de Engels lezer. Tower Records in Shibuya, Tokyo biedt de beste selectie Engelse boeken en tijdschriften. Aanrader is het hoekje waarin ze Japans werk vertaald naar het Engels hebben staan. Maar ook in Sapporo op het afgelegen Hokkaido zijn er nog wat vertaalde boeken te vinden.

     De vraag blijft, natuurlijk: wat lezen al die Japanners toch dat mij ontgaat? Hieronder volgt een indruk van de onderweg opgepikt boeken.

     Orie-san read Japanesie!

 

     Een handdoek voor iedere gelegenheid

 

Op onze laatste reis had ik ook de reisbeschrijvingen van Matsuo Basho bij me, omdat ik wist dat we een deel van dezelfde reis naar het Hoge Noorden af wilden leggen (weliswaar niet helemaal te voet zoals de poëet gedaan had) en een Lonely Planet: Hiking in Japan waarin de wandelroutes zo onduidelijk beschreven staan, dat de Japanse wegwijzers nog nuttiger bleken (na de be­klimming en afdaling van Inari-san ontdeed ik me van dit dode gewicht).

     Op reis in Japan hoor je nu eenmaal te verdwalen.

     Let wel: wandelen is een belangrijk en gewichtig tijdverdrijf in Japan. Het is niet iets waar je onbezonnen aan begint. De natuurgebieden zijn verrassend uitge­breid en ongerept, zeker voor de reiziger die het beeld van het Tokyo-conglomeraat synoniem stelt met Japan.

     Japanners hullen zich in de juiste wandeluitrusting voordat ze op pad gaan. Ademende, vochtafwerende jassen en broeken in verschillende laagjes. Stevige wandelschoenen. Petjes met verschillende kleppen en uitvouwbare muskietennetten in de nek, altijd gezekerd via een koordje met een klemmetje aan de jaskraag (er mocht een onverwachte windvlaag opsteken!). Op­gerolde handdoek in de nek om zweet te absorberen. Handschoenen. Zonnebril. Uitschuifbare wandelstok. Eén a twee digitale fotocamera’s. Rugzak met een apart compartiment gevuld met vloeistof (waaruit via een slangetje gedronken kan worden, koude groene thee of een energiedrink als Pocari Sweat.) Persoonlijk picknick­kleedje om op te zitten tijdens een pauze bij een pittoreske waterval ofzo. Voorverpakte -en zonder uitzondering voortreffelijke- bent?-lunchdoos met eetstokjes. Berenbelletjes indien je ver genoeg noordelijk bent. Tissues voor sanitaire stops. Paraplu, voor de vrouwen ook tegen de zon.

     Scheren we alle Japanners over één kam wanneer we stellen dat het onvoorbereid in de natuur gedumpt worden, voor hen een gruwel moet zijn?

 

     The Crimson Labyrinth – Yusuke Kishi

 

Gedropt worden in een vreemde en onherbergzame wil­der­nis, dat is precies wat er gebeurt met de personages in dit boek. Ze komen bij hun positieven in een vreemd landschap, en via een klein spelcomputertje wordt hen uitgelegd dat ze deelnemen aan een verboden spel­programma. Al snel blijkt dat het overleven in de natuur (Mars? Of is het toch Australië?) het uiterste zal vragen van de deelnemers. Voedsel, uitrusting en wapens zijn maar zeer beperkt verkrijgbaar. En, zoals zo vaak in dit genre, lijkt coöperatie niet de weg naar winst of over­leven.

     Vergelijkingen met The Most Dangerous Game, Deliverance, Lost en Battle Royal liggen natuurlijk voor de hand. Maar deze roman deed me vooral denken aan het fascinerende The Beach van Alex Garland, want The Crimson Labyrinth is precies zo’n boek dat niet makkelijk in een hokje te stoppen valt; een mengsel van hoofd­stroom literatuur en reisverhaal, rijkelijk doorspekt met thriller en horrorelementen. Satirisch ook, vooral met betrekking tot de videospelletjes die zo’n grote rol spelen.

     En net als met The Beach had ik met Labyrinth een boek in handen, dat ik niet weg wilde leggen. Ik ben gewend om in drie a vier boeken tegelijk bezig te zijn, om de zoveel pagina’s afwisselend. Het komt niet vaak voor dat ik een boek in handen krijg dat ik in één ruk uit wil lezen.

     Natuurlijk is Labyrinth geen perfect boek, zo nu en dan bezondigt de auteur zich via de monden van zijn personages aan infodump, en nu en dan kickstart hij zijn plot met wat vergezochte plotelementen die mogelijk alleen voor genreliefhebbers de moeite waard zijn. Maar het is ook een boek als een achtbaanrit, vol haarspeld­bochten en ademloze momenten. De onderliggende thematiek is voor de hand liggend en daarmee weinig verrassend, maar ook passend. Wanneer de beknellende structuur van de rigide Japanse samenleving maar even wegvalt, breekt de Hobbesiaanse strijd van allen tegen allen onmiddellijk los. De op voorhand gemargina­liseerde positie van de deelnemers, zoals de tijdelijk dakloze hoofdfiguur Fujiki, maakt hun wanhopige en extreme handelingen net wat plausibeler.

     Yusuke Kishi schijnt een bestseller-auteur in Japan te zijn, maar vooralsnog is dit doolhof zijn enige naar het Engels vertaalde werk. Wat mij betreft smaakt het naar meer.

 

     Georganiseerd marginaal

 

Onder vrijwel iedere brug in elke grote stad in Japan wonen zwervers, die zonder uitzondering oud en netjes verzorgd zijn. Ze huizen in strak ogende bouwsels van hout, hekken en blauwe afdekzeilen, gewoonlijk van de grond verheven op gasbetonblokken. Regelmatig liggen er slippers naast de uitgezaagde voordeurtjes en zitten er raampjes in het zeildoek die opgerold kunnen worden. Tam ogende katten huizen tussen de bouwsels. Onder elke brug staan fietsen met mandjes in het gelid, waarop de zwervers lege flessen ophalen. Nu en dan zit er een gehurkte dakloze flesjes en blikjes te sorteren in plastic zakken, terwijl een ander de afwas doet. ‘s Ochtends heel vroeg, wassen ze zich in de rivier. Alles maakt een opgeruimde indruk. Ook in het donker worden die bouwsels niet eng.

 

     Audition – Ryu Murakami

 

Voor lezers die bekend zijn met de gelijk­namige verfilming van Takashi Miike die inmiddels alweer tien jaar geleden verscheen (zie bespreking inHSF 36-4), biedt deze korte roman niet veel nieuws onder zon. De eenzame weduwnaar en vader Aoyama wordt door zijn omgeving overgehaald om door middel van audities voor een nep-film op zoek te gaan naar een jong en geschikt bruidje. In het mishandeld ex-balletdanseresje Asami denkt hij zijn droomvrouw te vinden.

     Heel overtuigend laat Murakami zijn protagonist in de ban laat raken van deze femme fatal Japanse stijl. De bezorgde opmerkingen van de bijfiguren wordt door de opgezweepte weduwnaar buitengesloten, maar voor de lezer functioneren ze als knipperende waarschuwingslichten langs de periferie. Met toenemende verontrusting volgen we de afspraakjes van Aoyama en Asami. Goed geschreven, maar zoals gezegd: voor de filmkijker geen verrassingen, want boek en film zijn vrij uitwisselbaar qua plot en vertelstijl.

     De laatste jaren biedt uitgeverij Bloomsbury regelmatig vertalingen van de ‘meester van de psycho-thriller’. Goed vertaald door Ralph McCarthy en fraai vormgegeven als gebonden boekjes met een stofomslag van cartoonfiguurtjes over foto’s. Van deze is In the Miso Soup  waarschijnlijk het beste. De jonge Kenji gidst tegen betaling buitenlandse mannen door de voor buitenstaanders gesloten roze buurten van Tokyo. De Amerikaan Frank betaalt goed, maar bezorgt Kenji (en de lezer) vanaf het begin af aan een onheilspellend gevoel. Door zijn vertelwijze werkt deze roman heel goed, we worden door Kenji aangesproken en volgen hem op de excursie.

     De korte roman Piercing treedt langs vergelijkbare paden en handelt over een vader die het onbedwingbare verlangen heeft om zijn pasgeboren kind met een ijspriem te doorsteken. Om dit verboden verlangen te sublimeren besluit hij een prostituee uit te zoeken om te vermoorden… maar in Murakami’s claustrofobische steden bestaan er natuurlijk geen slachtoffers zonder tanden.

     De boeken en films van Murakami krijgen regel­matig de kritiek dat ze extreem geweld en seksualiteit vermommen als sociaal commentaar. Torture porn vermomt als engagement.

     Zijn personages zijn verstikte stedelingen die gebukt gaan onder hun neuroses en obsessies, en langzaam opzwellen door hun opgekropte onvervulde verlangens. Muurvast in het systeem, zoeken ze een kier om zich door naar buiten te wurmen. De personages beklagen zich over de veranderende samenleving, keer op keer wauwelen ze over het wegvallen van vaste waarden.

     Maar het is te eenvoudig – en onjuist! - om Mura­kami de woorden van zijn personages in de mond te proppen, want de auteur onthoudt zich juist van het trekken van een conclusie. Hij doet verslag van zijn observaties zonder een moraal op te leggen. Het beschuldigende vingertje blijft achterwege. Gelukkig maar, want zijn verhalen hebben het meeste zeggingskracht in de zinnen die onuitgesproken blijven. Zijn psychothrillers ontaarden in excessief bloedvergieten en dan breekt het verhaal plotseling helemaal af. Er wordt niet gestraft of gered. Er is geen verklaring voor geweld. Het is geen oplossing. Het leidt alleen tot een grote ontregelende chaos.

 

Deze Bloomsbury-selectie belicht de Japanse duizendpoot echter heel eenzijdig. Gelukkig is een deel van zijn eerdere werk vertaald bij Kodansha. Murakami schrijft over outsiders en slaagt erin om zijn buitenbeentjes en underdogs - met hun veelal vreemde verlangens en levens - menselijk te maken. Zijn beroemde en met de prestigieuze Akutagawa prijs bekroonde debuutroman Almost Transparent Blue behandelt verveling en levensangst in een klein Japans stadje, waar de 19e jarige hoofd­persoon Ryu en zijn vrienden experimenteren met sex en drugs. (In 2003 jureerde Murakami zelf en keerde de prijs uit aan Slangen & piercings van Hitomi Kanehara, een vlieggewicht van een roman met een vergelijkbare insteek en uitwerking als Murakami’s debuutroman).

     De roman 69 grijpt juist terug op de middelbare schooljaren van de schrijver en is een lichtvoetig en vermakelijke kijk op hoe de tegencultuur van de flower power wordt opgepakt door de Japanse jeugd in een provinciaal kuststadje. (Heel fraai verfilmd door Koreaanse filmmaker Sang-il Lee)

     Murakami’s mangum opus, qua omvang en diep­gang, blijft echter Coin Locker Babies. Het boek is viermaal zo dik als elk van zijn andere werken. De roman vertelt het levensverhaal van twee jongetjes, Hashi en Kiku, die vlak na hun geboorte achtergelaten worden in kluisjes op een treinstation in Tokyo. Na een periode in een weeshuis en het verblijven bij pleegouders op een bijna verlaten eiland, lonkt de zelf­standigheid. Met hun gekozen carrières als rockster en polstokhoogspringer, moet het tweetal zien te overleven in het levensgevaarlijke Toxitown, een vervallen stedelijke wildernis die bewoont wordt door mismaakten en schurken van allerlei allooi. Babies is een weergaloos avontuur, even krankzinnig als kleurrijk. Miike werd al eens gevraagd om dit boek te gaan verfilmen, maar kreeg de financiering niet rond. Momenteel schijnt er een verfilming van Italiaanse regisseur Michele Civetta in de maak te zijn. Qua acteurs wordt er gefluisterd over Val Kilmer, Tadanobu Asano en Asia Argento.

 

 

     Docta Seebird

 

Als een dolende gaijin hoef je in Japan nooit lang zonder plaatselijke gids te zitten.

     Op een wandeling door Kabuki-cho in Shinjuku worden we aangesproken door een energieke en ietwat verwilderde Japanner. Hij raadt ons aan om een giftshop aan de overkant van de straat te bezoeken - spotgoedkope grappige & nutteloze voorwerpen – alsook een uitkijkpunt en een heiligdom waar een klein festival gehouden wordt. Als hij hoort dat wij uit Orranda komen, begint hij een gedreven opvoering van Docta Seebird (Siebold op zijn engrish) en diens in het geheim samengestelde kaart van Japan. Een geschiedenisles vertolkt door een stand up comedian. Met zijn drukke gebaren en rare bokkensprongen weet hij zo’n tien minuten lang een deel van het drukke trottoir af te bakenen. Is dit een aan lager wal geraakte geschiedenisleraar? Een bibliofiele binnenprater die nog net niet gaat schuimbekken van enthousiasme?

     We komen er nooit achter, want hij rekent ons nog even voor: ‘Three years basic school. Three years middle school. Four years university. Ten years of English, but no speak! Welcome to funny country! Sayonara!’ Optellend tot alle tien zijn vingers in de lucht steken, waarna hij ons gedag wuift met twee handen en onderduikt in de tumultueuze stroom voorbijgangers.

 

     Crossfire - Miyuki Miyabe

 

Death Wish meets Firestarter in a provocative mystery thriller set in Tokyo.’ Een blurb die de lading nu eens precies dekt. Nou ja, provocerend? De overdreven simplistische monologen waarin paranormale pyromane Junko Aoki haar wraaktocht beschrijft, zouden niet misstaan in een jaren tachtig wraakfilm. Haar tegen­stander is sergeant Chikako Ishizu, een vrouw van middelbare leeftijd die probeert om haar politiecarrièré te cultiveren in het seksistisch klimaat van de Japanse misdaadbestrijding. Ishizu lijkt een veelbelovend personage, dat hardnekkig voort ploetert naar een geforceerde doorbraak. Maar de toevoeging van de even geniale als excentrieke detective Makihara aan het speurdersteam, maakt van hen een soort flauw Mulder & Scully-team. Het kat-en-muis-spel tussen speurders en pyrokineet blijft geforceerd aanvoelen. Wanneer de spanningsboog afgerond is, zitten we nog maar halverwege het boek, zodat Miyabe genoodzaakt wordt om enkele nieuwe elementen te introduceren. De toevoeging van nog een machtige geheime organisatie van vigilantes, wordt teveel van het goede, en het toch al onwaarschijnlijke plot zakt ineen.

     Is dit dezelfde goed verkopende thrillerschrijfster die geroemd wordt om haar scherpe analyses van de Japanse consumptiemaatschappij? Natuurlijk, er is veel aandacht voor de minderjarige crimineeltjes die zonder tik op de vingers vrijkomen na het plegen van ernstige en bizarre geweldsmisdrijven (zie ook: Zoet-zure Wraakfilms, HSF 41-2), maar het voelt een beetje aan als een voorgaande generatie die zeurt dat de Rolling Stones geen muziek maar herrie maken. Misschien degradeer ik Miyabe nu op basis van een enkele miskleun in een mij verder niet bekend, maar mogelijk briljant oeuvre. Achterhaalde pulp, zou mijn oordeel zijn. De achtergestelde rol van de vrouw in Japan? Lees dan liever Natsuo Kirino’s messcherpe Out (2004) of Grotesque (2007), dat zijn meedogenloze literaire thrillers over vrouwen in Japan.

 

     Saillant detail: in de stad Aizu-Wakamatsu hadden we een kamer in zo’n grote en betaalbare zaken­hotelketen, negende etage. En we kregen precies het­zelfde drie-cijferige kamernummer als in het boek zo’n grote rol speelt! Als dat geen voorteken was! De stad lag er ’s ochtends vroeg nog slaperig bij, bedekt door een mantel van nevel. Zou het mist zijn, of had het te maken met de zwaveldamp die hier uit de roosters op straat omhoog kruipt? Was dit allemaal onderdeel van een soort Ringu-achtige publiciteitsstunt om twee dolende gaijin de stuipen op het lijf te jagen?

     Ach, het leek in ieder geval heel wat spannender dan het boek zelf.

 

     Boss Coffee

 

Reizen door Japan is als wandelen door een fantasy-roman. Stel je voor dat je als Cugel opgepikt wordt door zo’n ijldemon en neergeworpen wordt in een land waar alles vreemd is. De taal onverstaanbaar, het schrift onleesbaar. De gebruiken vaak niet minder dan bizar.

     En het enige herkenbare is de kop van Tommy Lee Jones die je aangrijnst vanaf de zijkant van iedere koffieautomaat die je passeert. Suntory is the boss of them all since 1992.’

Vending machines - foto (c) Jenny Hendriks 

     The Tattoo Murder Case – Akimitsu Takagi

 

Akimitsu Takagi (1920-1995) was een populaire misdaadschrijver, die zich later in zijn carrière meer met sf en alternatieve geschiedenissen bezig ging houden. Na de tweede wereld oorlog verloor hij zijn baan en besloot toen de raad van een waarzegster op te volgen en schrijver te worden. Zijn eerste roman, The Tattoo Murder Case, werd opgepikt door Japans’ beroemdste detectiveschrijver Edogawa Rampo, die het onder wist te brengen bij een uitgeverij.

     Het schrijftalent toont zich in dit debuut; een detective die loopt als een goed geoliede, snorrende machine.

     De naoorlogse sfeer in het halfvernietigde Tokyo, waar het Japanse volk probeert zich over de nederlaag van hun leger heen te zetten, en waar de zwarte markt welig tiert, vormt een meesterlijk decor voor dit speurdersverhaal. Het roept de sfeer op van de gangsterfilms van Kinji Fukasaku, in het bijzonder diens ongeëvenaarde Battles without Honour or Humanity-serie, waarin de grommende Bunta Sugawara misschien wel zijn mooiste rol ooit neerzette.

     Hetzelfde gevoel van verbeten wanhoop, verslagenheid en turbulente chaos vinden we in The Tattoo Murder Case. De mensen zijn cynisch, verbitterd. De façade van de Japanse beleefdheid wordt op veel plaatsen wel heel dun en transparant. Akimitsu voert ons naar de halfverborgen schemerwereld van de tatoeage. Een toen nog verboden kunstvorm, die sterk geassocieerd werd met de onderwereld en seksuele deviantie. Tatoeageartiesten leidden een dubbelleven: enerzijds was hun ambt strafbaar (maar in de woelige tijden meer en meer gedoogd), anderzijds werd het goed betaald en gewaardeerd door hun criminele klantenkring.

     Met de afdaling in de kleurrijke, drijvende wereld van de tatoeage komt ook het mogelijke boven­natuurlijke element aan bod. De folklore rond het trio rivaliserende bergmagiërs Tsunedahime, Jiraiya en Orochimaru, rijdend op respectievelijk een slak, een pad en een slang, geeft het mysterie een griezelige en verrassende glans. De glimpen van vosgeesten en demonen geven nog wat kleur aan het grauwe, verwoeste landschap vol woekeraars en radeloze vrouwen die hun lichaam verkopen om hun gezinnen te voeden. Een familiegeschiedenis wordt verteld als een sprookje. Het is bijna alsof de wezens uit de folklore hun rechtmatige plaats opeisen, nu de samenleving aan een gestage desintegratie begonnen is. En de menselijke overlevenden willen geloven, want iedere fantasie is beter dan de realiteit die hen omringt.

 

De nadruk die de auteur legt op de kunstmatigheid van zijn speurdersverhaal, geeft de roman nog een extra laag. Zoals detective Daiyu Matsushita zijn broer duidelijk maakt: ‘I’ve been handling murder cases for ten years, but so far there hasn’t been a single one that bears any resemblance to the exaggerated cases in your detective novels.’

     ‘Are we conducting a serious criminal interrogation or listening to a soap opera?’ vragen de politeagenten zich af wanneer ze naar de hysterische biecht van een verdachte luisteren. Het is alsof ze zich soms heel even bewust worden van de ‘echte wereld’ buiten hun verhaaluniversum.

     ‘This isn’t one of your sanitized mystery novels. We’re looking for a nasty killer, and it could get very dangerous.’ Aldus nodigt de detective Matsushita zijn broer uit om deel te nemen aan het onderzoek. Maar natuurlijk is dit ook een directe uitnodiging van de auteur aan zijn lezer. Onderliggende boodschap: wees wel voorzichtig, want wat je hier in handen hebt, is een levensgevaarlijk boek.

     Verderop legt de detective zijn visie nog eens uit, nu aan de weerspannige en wat sinistere Dr. Tattoo: ‘Well, Sensei, you may be hoping that some fictional mastermind detective will show up like Sherlock Holmes and solve all the riddles of this case, but I’m afraid it doesn’t work like that in real life.’

     En wat schetst onze verbazing; nog geen honderd pagina’s verder duikt er een geniale speurder op in de gedaante van Kyosuke Kamizu, die schakend en analy­serend de misdaad oplost, zonder een druppel zweet te verspillen. Elementary, dear reader. (Nu had de op­lettende lezer al genoeg aanwijzingen kunnen vergaren om eenzelfde conclusie op eigen kracht kunnen bereiken).

      Overigens gaat zelfs deze ongenaakbare Japanse Hol­mes gebukt onder het collectief oorlogstrauma, getuige zijn schijnbaar luchtige eindspeech: ‘…Westeners with their untidy-looking sushi tattoos. After seeing that un­sightly display I realized that the art tattoo is one area in which Japan can still claim to be the best in the world.’

 

     Rural legends

 

Met de shinkansen naar Shin-hanamachi en van daaruit met een dieseltreintje door een reeks gehuchten, tot aan het iets grotere Tono. Hier zijn gaijin duidelijk weer bezienswaardigheden. Een meisje komt ons snoepjes voeren en vraagt waar we heen gaan. Naar Tono. ‘Me too!’ roept ze opgewonden. ‘You know kappa? Kappa famous!’ Kappa zijn een soort ondeugende water­kobolds die er aardigheid in hebben je ingewanden door je anus naar buiten te zuigen.

     Daarna komt de wat oudere, verlegen glimlachende treinconducteur ons een dienstregeling brengen waarop hij de stationsnamen heeft vertaald en de aankomsttijden heeft omcirkeld. Je zou hier nog niet kunnen verdwalen als je zou willen, zo goed wordt er op je gelet.

 

Maar toch. Om ons wat te wapenen tegen de hier in grote getallen rondspattende kappa, kopen we een Engels boek met verzamelde streeklegenden bij het plaatselijke museumpje. Die korte (en vaak moraalloze) vertellingen bieden wat extra achtergrondinformatie tijdens onze fietstochten door de winderige Tono-vallei. Ze lijken nog het meest op urban legends waarbij de persoon in kwestie altijd een bekende van een bekende is, maar nooit een eerstegraads bekende. De lessen die uit het boek te destilleren zijn:

     Probeer de groter berg-kami met hun rode koppen en stralende ogen niet tegen je in het harnas te jagen, dat bekoop je veelal met ziekte en dood.

     Sowieso is het eindstation in de Tono-vallei meestal ziekte waarop de dood volgt.

     Wees op je hoede met kappa (de roodsmoel-kappa is een plaatselijke variant), vosgeesten, tengu, geestverschijningen en enge wijfjes uit de bergen. Ook wolven (kunnen zich schuil houden in gras van slechts 9 centimeter hoog en hun pels verandert mee met de seizoenen) en oude ondeugende apen (ze geilen soms op mensenvrouwen en kunnen met spuug en zand hun pels ondoordringbaar maken, zelfs voor kogels!) zijn niet te vertrouwen.

 

     Queen of K’n-Yan – Asamatsu Ken

 

Kurodahan press is een kleine uitgeverij die zich specialiseert in het vertalen en uitgeven van Japanse genrefictie. Precies het soort boeken waar deze lezer zo naargeestig naar op zoek is. Iets van die ijsberg, maar dan net onder de waterlijn. Na de fraaie vierdelige Cthulhu-anthologie, samengesteld door Asamatsu Ken (zie voor bespreking: De Verborgen Goden in HSF 42-2) presenteren ze nu een eerste vertaalde roman van deze auteur.

     We volgen Dr. Morishita Anri, die door een groot bedrijf aangetrokken wordt om de DNA van een Chinese mummie te onderzoeken. Ze komt te werken onder de geobsedeerde Chinese wetenschapster Dr. Li, een vrouw met een duister verleden. Ondertussen wordt Tokyo geteisterd door een hittegolf en toenemende buiten­sporige seismische activiteit.

     Terwijl de ontwikkelingen in het laboratorium steeds vreemdere vormen aan nemen, begint Dr. Anri de greep op de werkelijkheid te verliezen. Via akelige hallucinaties wordt teruggeschakeld naar een Japans gevangenkamp in China, ten tijde van de tweede wereldoorlog. Alleen Dr. Anri zelf lijkt nog verbaasd wanneer ze ook reptielen-DNA ontdekt in de chromo­somen van de Chinese mummie.

     Als de griezelig mooie omslagtekening (van de hand van Kojima Ayami), of de term ‘K’n-yan’ nog niet duidelijk maakten waar we op af stevenen, dan nog maar ten overvloede: het verhaal haakt aan bij The Mound, een van de herschrijvingen die HPL pleegde voor zijn cliënten. Serpentgod Yig. Reusachtige onderaardse grotten waar vreemde voormenselijke volkeren leven. Overbekend terrein voor de Mythos-fan. Gelukkig maakt Ken zich de gesuggereerde mythologie eigen, en spiegelt deze op interessante wijze aan elementen in de Aziatische mythologie en geschiedenis. Het oorlogs­verleden van de Japanners en hun experimenten vormen een intens nare achtergrond waartegen de op hande lijkende Cthulhu-apocalyps bijna een opluchting is.

     Dit is zo’n roman waarin je stilletjes hoopt dat de wereld zal vergaan.

 

     Vroom

 

In de stille tempels van de Tendai-sekte op Mount Hiei loopt iedereen op kousenvoeten. Vlak voor ons; vier sjiek uitgedoste meisjes, Birkin en Gucci-tassen. Eén van hen attendeert een ander giechelend dat haar zwarte panty’s stukgelopen zijn. Een van glinsternagellak voorziene kleine teen piept naar buiten. Giechelend stappen ze over de hoge houten drempel weer naar buiten. Het laatste meisje aarzelt even op de drempel, keert terug naar het houten beeld van de bodhisvatta en vouwt haar handen, neigt haar hoofd.

 

    

Hell – Yasutaka Tsutsui

 

Yasutaka Tsutsui - ook wel de ‘guru van de metafictie’ genoemd – is één van de beroemdste Japanse sf-schrijvers, met een voorliefde voor slapstick en surrealisme.

     De titel en vormgeving van zijn korte roman suggereert een heel ander boek dan we hier voor­geschoteld krijgen. Verwacht geen brandende meren of martelende duivels. De auteur omzeilt de klassieke en uitgebreide Japanse visies op de hel. Zijn hel lijkt sprekend op onze dagelijkse realiteit, alleen wat veranderlijker en veel verwarrender.

     De auteur beschrijft de hel als een product van het collectieve onderbewustzijn van de ingezetenen. De hel functioneert als een louteringsproces. De verdoemden kunnen zich losmaken van hun levens. Ze schudden hun nieuwsgierigheid, hun ambitie, hun haat en liefdesperikelen van zich af. Gelouterd kunnen ze dan de staat van het nirvana bereiken.

     Tenminste dat is een speculatie van één van de ingezetenen van de hel. Want in Tsutsui’s korte roman is niets overduidelijk. We werken hier met hypothesen die op ieder moment op losse schroeven gezet kunnen worden.

     De grens tussen de wereld van de levenden en de hel lijkt flinterdun. Shell shocked wandelen de nieuw aangekomen verdoemden door de straten, totdat de verbijstering (tezamen met al hun sterkere emoties) langzaam van hen afglijdt. Moordenaars worden geconfronteerd met hun slachtoffers, vreemdgaanders en froteurs (een naar het schijnt veel voorkomende parafilie in Japan) met hun partners. Jagende paparazzi storten met hun beroemde prooien hun dood tegemoet in een lift, totdat ze etage 666 bereiken. Een acteur verdwaalt spoorloos in de kelders van het Kabukiza-theater, waarna zijn verschijning nog nu en dan terug gezien wordt.

     Plaats, tijd en causaliteit zijn nauwelijks van belang in Tsutsui’s versie van de hel. Jeugdherinneringen en dromen, dementie en verwarring. Alles gaat door elkaar lopen.

     Op welhaast luchtige wijze wisselt de auteur van personage naar personage, waardoor een voortvloeiend maar losjes geweven verhalentapijt ontstaat. De schakels tussen verschillende scènes zijn vaker associatief dan verklarend. Morele oordelen blijven uit. Evenals ontknopingen. Het is alsof Tsutsui ons werkelijk getuige wil laten zijn van zo’n louterende reis door de hel. We volgen daarbij geen individu, maar juist hele scharen voortstappende verdoemden. Het is alsof we van iedereen die ons passeert even een glimp opvangen van zijn of haar gedachten (want in de hel is het mogelijk om ieders gedachten te lezen).

     Ondanks een door terroristen gekaapt vliegtuig, auto-ongelukken, neerstortende liften en een tweetal buiten­gewoon grafische martelscènes blijft het boek eerder humoristisch dan aangrijpend. Alles bij elkaar houdt de lezer een veel positiever gevoel over aan het lezen van dit boekje, dan de gekraste en gevlekte omslagletters hadden doen verwachten.

 

Het uitvoerige en uiteenlopende oeuvre van Tsutsui blijft grotendeels onvertaald. Hell dat speciaal geselec­teerd is voor het Japanese Literature Publishing Project, om Japanse literatuur in het buitenland onder de aandacht te brengen, vormt een niet zo voor de hand liggende introductie op diens werk. Voor de lezers die nog geen kennis gemaakt hebben met de soms ronduit bizarre vondsten van Tsutsui is diens vertaalde verhalen­bundel Salmonella Men on Planet Porno waarschijnlijk een betere start. Een voorproefje van zijn werk is ook te vinden in de bloemlezing Speculative Japan (zie bespreking in HSF 42-2, een tweede deel van de bloemlezing is overigens in de maak, te verschijnen eind 2010). Tenslotte is er zijn uit 1993 stammende roman Paprika, recentelijk heel fraai tot anime bewerkt door Satoshi Kon, die dit jaar voor het eerst in een Engelse vertaling verschijnt.

 

     One hour if run

 

Lezen in Japan is een probleem.

     We daalden te voet af van Mount Hiei, omhoog kwamen we per cable car, maar omlaag zouden we lopen, de weg ontcijferend aan de hand van Japanse kaarten en heel af en toe het koeterwaals van de spaar­zame andere wandelaars. Reeksen tekens vergelijkend met de wegwijzers die we vonden. (Lonely Planet: Hiking in Japan was al weggeworpen, weet u nog?) Onze tocht naar het dal ging over steile en steeds meer uitgestorven bergpaadjes, die vertakten en dan weer vertakten en dan plotseling ophielden. Natuurlijk raakten we het spoor meer dan eens bijster.

     Maar uiteindelijk troffen we wat vriendelijke monniken die ons groene thee aanboden in een buitenpost. De oudste monnik leek op een sluwe vos, met een bril met zwaar montuur. Hij zat op een verhoging paperassen door te werken, terwijl hij één oog op een klein televisietje aan zijn voeten gericht hield.

     ‘Where you from?’

     ‘Orranda!’

     ‘Ah, Orranda!’ Stemde hij grommend en alwetend in.

     Later droeg hij een jonge monnik in opleiding op om ons een eind te begeleiden, tot voorbij een aantal onoverzichtelijke bochten in het pad, tussen wrakkige verlaten gebouwtjes door, onder gespannen doeken, en dan onderlangs een enorm houten klooster, geschraagd door houten palen. Hier nam de jonge monnik afscheid. Hij legde uit dat het nog maar een uur of twee lopen was naar het station. Of: ‘One hour if run.’

     We deden rustig aan, terwijl het om ons heen al donker begon te worden.

     Want wie wil er nu niet verdwalen in Japan?

 

 


Marcel Orie is de auteur van de met reis- en leesindrukken doordrenkte Een masker met een tong en Een vuist vol tanden.

Copyright (c) 2014 Marcel Orie

Foto’s: (c) 2014 Jenny Hendriks

Oorspronkelijk verschenen in Holland SF, 2009

 
 
 
 
 

Joomla Templates by Joomla51.com