banner14.png

fblogo

 

Literaire Superhelden

Toen ik jong was – nee, toen ik klein was – las ik superheldenstrips. Spinneman, de Meta Robots, de Wrekers, Batman, noem maar op. Prachtig, man! Het was een tijd waarin je, gewapend met alle details over je held die je maar uit tweedehands boekjes kon afleiden of zelf verzinnen, eindeloos met vriendjes kon kibbelen of Doctor Solar nou van Groene Lantaarn kon winnen, als ze elkaar ooit zouden ontmoeten. Maar vooral was het een tijd waarin je fantaseerde wat je zelf niet allemaal met zulke superkrachten zou doen, want er stak een polderman-superheld in je, dat wist je zeker – of een superschurk op een echt driftige dag, althans een superschurk die eigenlijk een onbegrepen superheld was, je kent dat wel.

Op een gegeven moment werd ander speelgoed toch interessanter, en toen ik de stapel oude superheldenstrips na geruime tijd nog eens herlas, had ik de jeugdbibliotheek al ontdekt en leeg gelezen, en dus vond ik de meeste van die superheldenverhalen eigenlijk vreselijk beperkt. Altijd maar weer variaties van dezelfde situaties, dezelfde gevechten, dezelfde patstellingen. De superhelden werden een schuldig plezier, en in de loop der jaren verdween door ruimtegebrek en opruimwoede bij verhuizingen zo’n driekwart van de stapel.

Maar driekwart is niet alles, zullen zeurderige lezers zeggen. ‘Wat belette je, Roelof, om die hele stapel op te ruimen?’ Dat is een irritante maar terechte vraag. Ik kan me niet verschuilen achter de baanbrekende, verrassende, relevante superheldenstrips als Watchmen: mijn restantstapeltje heeft geen van die verzachtende eigenschappen. (Die relevante superhelden staan gewoon op de boekenplank...)

Superhelden zijn, net zoals veel fantastische thema’s, een verzameling tropen. Tropen geven de trouwe lezers (kijkers) van een genre herkenning en daarmee een stuk vertrouwdheid, maar ook het gevoel een voorsprong te hebben op ‘niet-ingewijden’ (en vormen dan ook een drempel voor die buitenstaanders). SF-liefhebbers zoals u en ik jongleren met tropen als sneller-dan-licht-reizen, mutanten, laserpistolen etc. Het superheldengenre wordt gekarakteriseerd door vier tropen: een gedrevenheid om onrecht te bestrijden, buitengewone krachten of vermogens, een geheime identiteit en een kostuum, althans dat zegt Peter Coogan in zijn boek Superhero: The Secret Origin of a Genre.

Superhelden kwamen natuurlijk niet uit de lucht vallen (‘behalve Superman’ zegt een micro­stemmetje uit de miniatuurstad in Supermans Burcht van Eenzaamheid: ja, dank u wel voor die spitsvondigheid). De superheld is wellicht de enige ‘grote’ stijlfiguur uit de sciencefiction die – tot nu toe – significant verder is uitgewerkt in strips dan in het geschreven boek. Maar toch heeft ook de superheld zijn wortels in de geschreven literatuur. Superhelden hebben drie directe bronnen: de sciencefictionsuperman, een thema sinds Frankenstein (1831); de wreker met de geheime identiteit die ook vanaf de negentiende eeuw stuiverboekjes begon te bevolken, en de pulphelden sinds Tarzan (1912), die via Jack Londons boeken Nietzsche’s übermensch-theorieën assimileerden. De pulpheld Doc Savage is een rechtstreekse voorouder van Superman; en Batman bevat dan weer veel van de karakteristieken van de pulpheld the Shadow.

Coogan beschouwt het kostuum als het grootste verschil tussen de ‘oude’ pulphelden en de nieuwe superhelden uit de comics: superhelden hebben een kostuum dat hun geheime identiteit uitschreeuwt, dat ze ontdoet van hun fysieke gedaante en bijzonderheden en dat de superheld reduceert tot zijn of haar essentie, uitgedrukt in een gesimplificeerde kleur en vorm. De superheld ís zijn of haar eigen beeldmerk.

Dat is allemaal waar, maar ik kreeg toch een knagend gevoel dat ik iets miste in Coogans beschouwing. De kracht van de relevante, vernieuwende etc. superheldenverhalen die ik als volwassene heb ontdekt, zit volledig in de eerste drie tropen: de gedrevenheid die bij Frank Millers The Dark Knight een ziekelijke obsessie is geworden; de achterdocht en minachting die het anderszijn door het hebben van buitengewone krachten kunnen veroorzaken (bij de gewone mensen zowel als de ‘homo superior’); de druk die het verbergen van je ware aard geeft. Maar wat had het kostuum daar aan toe te voegen? Dat is toch slechts uiterlijkheid?

Michael Chabon heeft mij geholpen om het schuldgevoel rond dat nostalgische stapeltje in te kapselen en kwijt te raken. Michael Chabon heeft onder andere de mainstreamroman Wonder Boys geschreven, over een schrijver die zijn grote roman maar niet kan afmaken, en de fantasyroman Summerland (2003) die de Mythopoeic Fantasy Award won. Maar toen had Chabon al een doos met oude superheldenstrips uit zijn jeugd teruggevonden, die de interesse in die superheldenstrips in hem deed herleven en leidde tot de roman The Amazing Adventures of Kavalier & Clay, en een Pulitzer Prijs voor fictie in 2001.

In Michael Chabons essay ‘Secret skin’ in diens artikelenbundel Maps & LegendsReading & Writing Along the Borderlands vond ik mijn ei van Columbus terug. De kracht van het kostuum ligt niet zozeer in de waarde voor een volwassen lezer, maar in het gemak waarmee kinderen het verhaal kunnen instappen. In de woorden van Chabon: ‘all we needed to do was accept the standing invitation that superhero comics extended to us by means of a towel.’ Ja natuurlijk!

En alles wat ik had moeten doen was me dingen herinneren...

 

'Forget about what you are escaping from. Reserve your anxiety for what you are escaping to.'

                  - Michael Chabon, The Amazing Adventures of Kavalier & Clay

Chabons roman The Amazing Adventures of Kavalier & Clay speelt zich af in de vroege dagen van de superheldenstrip. Joe Kavalier, een joodse vluchteling uit het door de nazi’s bezette Europa, komt berooid in New York aan. Samen met zijn neef Sammy Klayman beginnen zij de Amazing Midget Radio Comics, waarin de superheld de Escapist zijn avonturen beleeft en dankzij zijn verbazingwekkende ontsnappingskunsten Hitler menigmaal een hak zet. Ondertussen hebben Kavalier en Clay hun eigen problemen: Kavalier probeert zijn achtergebleven familieleden te helpen ontsnappen uit Praag, en Clay worstelt met zijn door polio aangetaste lichaam en zijn seksuele identiteit. Bovendien ontdekken ze dat het succes van hun strip zich niet vertaalt in voorspoed, omdat de uitgever de vette winsten opstrijkt. Het centrale thema van de roman bestaat uit de banden waaruit Kavalier en Clay proberen te ontsnappen. Chabon doet alles om het realiteitsgehalte van de roman te maximaliseren. Er is bijvoorbeeld een voetnoot die vermeldt hoeveel dollar bepaalde oude nummers van de Escapist-comics op recente veilingen hebben opgebracht.

Chabon heeft vele parallellen tussen de hoofdfiguren en hun creaties in de roman verweven. Zoals Peter Coogan raak observeert, becommentarieert hij de figuren door de metaforische kracht van de superheld te gebruiken. Het thema van de ontsnapping, uiteraard, maar ook de soms bovenmenselijke inspanningen en gevechten die de hoofdpersonen zelf meemaken. Tegelijk is de roman enorm speels: is bijvoorbeeld niet de standaardklacht tegen strips dat ze niet meer zijn dan escapisme?

Chabon benadrukt de rol die joodse tekenaars en schrijvers hebben gespeeld bij het totstandkomen van populaire cultuur in de Verenigde Staten, een onderwerp waar ook bijvoorbeeld het joods historisch museum in Amsterdam in 2008 een tentoonstelling aan wijdde. De scheppers van Superman, Joe Siegel en Joe Shuster; de maker van de Spirit Will Eisner, de enorm invloedrijke superheldentekenaar Jack Kirby, etc etc: een verbazingwekkend aantal van die pulppioniers zijn joods. Chabon suggereert dat de Verenigde Staten rond 1940 klaar waren voor een eigen mythologie, één die immigranten en outcasts kon laten ontsnappen van de realiteit en dromen over heldendaden, en dat de joodse cultuur goed aansloot bij die mythologie.

Het is niet toevallig dat ook die oude joodse superheld de golem een kleine maar essentiële rol speelt in de roman. Chabon schrijft in een ander essay in Maps & Legends, ‘The recipe for life’, dat zijn research over de golem voor The Amazing Adventures of Kavalier & Clay hem inzichten heeft gegeven in wat het betekent een roman te schrijven. ‘Zoals alle scheppingswerk, riskeert de maker van een golem zijn eigen leven. De bron van dat gevaar is echter niet de golem, maar de maker zelf,’ zegt Chabon, en omschrijft vervolgens schrijven als ‘het scheppen van een kleine wereld die, net zoals die van God, tegelijk vreselijk imperfect is en gevuld met verbazingwekkend leven.’

‘I want what we all want,’ said Carl. ‘To move certain parts of the interior of myself into the exterior world, to see if they can be embraced.’

— Jonathan Lethem, You Don’t Love Me Yet: A Novel

Een tweede vertolker van de literaire superheld, Jonathan Lethem, is begonnen als sf-schrijver, maar heeft de afgelopen jaren een reputatie opgebouwd van een literaire schrijver die fantastische elementen in zijn werk gebruikt. De burcht van eenzaamheid is een hoogtepunt in zijn werk tot nu toe.

Dylan Ebdus is het enige blanke jongetje in zijn wijk in Brooklyn. We schrijven de zeventiger jaren, en Dylan groeit op in een wereld vol punkmuziek, misdaad en comic books. Nostalgie verbindt De burcht van eenzaamheid met de eerdere romans van Lethem, maar hier neemt hij de ruimte om met dromerige, persoonlijke en heel rijk gedetailleerde anekdotes het Brooklyn dat hij kent te beschrijven. De bangelijke Dylan wordt veel gepest en vaak bestolen; hij blijft alleen enigszins overeind dankzij zijn zwarte vriend Mingus Rude. Ze kunnen uren besteden aan het uitpuzzelen van de achtergronden van comic books zoals Omega the unknown, terwijl Dylans vader probeert te leven met het feit dat hij geen kunst met hoofdletter K produceert, maar slechts omslagen voor sf-pulp­tijdschriften en tegen heug en meug sf-conventies bijwoont. Midden in het realisme van deze grofstoffelijke omgeving zit één fantastisch subplot: Dylan heeft van een dakloze een ring gekregen die hem kan laten vliegen. Dit wordt echter geen superheldenverhaal: de jongens gebruiken de ring alleen maar om er graffiti op moeilijk bereikbare plaatsen mee aan te brengen. Als Dylan opgroeit en muziekcriticus wordt, heeft de ring dat vermogen verloren, maar maakt hem nu onzichtbaar. Zijn vriend Mingus is ondertussen verslaafd geraakt en zit in de gevangenis.

Dylans vader heeft een burcht van eenzaamheid: zijn studio, waarin hij zich in verbittering kan terugtrekken. Maar bovenal is de Burcht van eenzaamheid toch het poolfort waar Superman zijn memento’s aan Krypton en zijn latere leven heeft verzameld, waar een hele miniatuurstad van Krypton nog onder een glazen stolp is opgesteld en waar Superman zich kan terugtrekken. Lethems Bildungsroman speelt met conventies en genre-beperkingen, en combineert realistische herinneringen met fantasy-elementen zoals het geheugen dat kan doen. Het boek vormt daarmee zijn eigen fort van eenzaamheid, maar één waar Lethem – ongehoord! – de gigantische stalen deur heeft opengezet en tienduizenden bezoekers heeft uitgenodigd. Dank je, superman!

Like the majority of superhero books in the post-Dark Knight, post-Watchmen era, all of them dealt rather grimly, and in the somewhat hand-wringing fashion that has become obligatory, with the undoubtedly grown-up issues of violence, freedom, terrorism, vigilantism, political repression, mass hysteria, and the ambivalent nature of heroism..’

- Michael Chabon, Maps & Legends

Je zou je kunnen vergissen als je dit artikel leest, maar Michael Chabons essaybundel Maps & Legends – Reading & Writing Along the Borderlands gaat niet over strips. Chabon integreert slechts strips in zijn observaties, net zoals hij en Lethem superhelden slechts integreren in hun verhalen. In het openingsartikel bekijkt Chabon waarom zoveel genre­verhalen worden afgedaan als zonder enige waarde zijnde, en zoveel literaire verhalen als saai. Hij pleit voor een eerherstel van onderhoudende verhalen, en voor korte verhalen die genre- en literaire conventies combineren, doorbreken en bijeenbrengen, en die zowel kunnen onderhouden als verrassen in ‘the boundary lines, the margins, the secret shelves between the sections in the bookstore.’ Chabon zoekt de smeltkroes, de schaduw, de randen. En hij weet dat ook – natuurlijk – te vertalen in een kernachtige observatie over wat hem aantrekt in goede strips, in dit geval Howard Chaykins American Flagg!, een sf-strip die intelligente en politiek controversiële verhalen combineert met knap (maar vrouwonvriendelijk) tekenwerk:

‘American Flagg! stands at the glorious midpoint, at that difficult fulcrum between innocence and experience, romance and disillusion, adventure and satire, the unashamed commercial and the purely aesthetic, between the stoned, rangy funkiness of the seventies and the digitized cool of the present day, between a time when outrage was a moral position and a time when it has become a way of life. Such balancing acts have always been the greatest feat of American popular art.’

Will Eisner was de eerste vernieuwende pionier in dit genre. Sommigen vinden de Spirit geen echte superheld – zijn voornaamste kracht lijkt tenslotte zijn vermogen te zijn om keer op keer tot moes geslagen te worden zonder daaraan te bezwijken – maar dat interesseert mij weinig. The Spirit is een strip die er als geen ander in slaagde om een held in alle mogelijke situaties te plaatsen, het vertellersperspectief van held naar schurk naar de gewone man te laten overspringen, met de meeste genres te spelen, zo’n dertig jaar voordat de eerste voorzichtige pogingen werden ondernomen in de VS om weer met dat soort vrijheden te experimenteren.

Alan Moore gebruikte Watchmen om een kritisch perspectief te geven aan het superhelden­concept, gebruikmakend van een aantal maatschappelijke zorgen van dat moment; zijn ‘balancing act’ gaf een enorme vernieuwende impuls. Peter Coogan merkt echter terecht op dat Watchmen een studie van het superhelden­genre is, die zich richt op wat het betekent om een superheld te zijn, en daarom een beperkte algemeenheid als literatuur en aantrekkingskracht voor het grote publiek heeft.

Kavalier & Clay en The Fortress of Solitude zijn twee voorbeelden van boeken waarin superhelden en superkrachten een rol spelen, maar slechts in ondersteunende rol voor de hoofdfiguren die ‘gewone’ mensen zijn. Zij gebruiken de superheld om een trope aan te roepen -  het jeugdsentiment van de superheldenbaddoek, die zij met hun lezers gemeen hebben – en vanuit die trope hun eigenlijke verhaal te vertellen.

Lethem en Chabon hebben hiermee een reuzenstap gezet naar een evenwicht tussen en versmelting van invloeden ten opzichte van Watchmen, waarin Alan Moore zijn superhelden wel in een zorgvuldig opgebouwde maatschappij plaatste, maar een maatschappij die radicaal is beïnvloed door superhelden.

Ook in (sommige) superheldenstrips is die vernieuwing verder doorgedrongen. In strips als Marvels is de maatschappij nog steeds radicaal beïnvloed door superhelden, maar staan eveneens gewone mensen centraal, waardoor superhelden in een heel ander perspectief worden gezet. J. Michael Straczynski (bekend van Babylon 5) heeft met Supreme Power ook een vernieuwende strip opgezet waar de interactie tussen maatschappij, politiek en superhelden centraal staat. Het dichtstbijzijnde equivalent in genre-sf dat ik ken is Patrica Anthony’s grappige en diepmenselijke Brother Termite uit 1993, waarin de Roswell-aliens echt op Aarde zijn geland en veertig jaar later staffuncties in het Witte Huis vervullen.

Omega the unknown, een van Marvels superhelden­strips uit de jaren zeventig waar Lethem aan refereert in De burcht van eenzaamheid, is recent in een nieuw jasje gestoken. Dat zou niet vermeldenswaardig zijn als de herbewerkte versie niet was geschreven door Jonathan Lethem.

Lethem geeft strip met een hart en een ziel. Het is ook een strip die duwt en trekt aan de conventies van de superheldenstrip. Een stomme, niet-sprekende gekostumeerde man vecht in de straten van New York tegen robots die een jongen aanvallen wiens ouders ook robots blijken te zijn. Omdat zij zich in het territorium bevinden van de zelfbenoemde ‘superheld’ The Mink, en deze zijn commerciële belangen moet veiligstellen, ontstaat een driepartijenstrijd vol raadsels en lagen. De wapens in deze strijd variëren van nano­technologie tot mediacampagnes en het ‘daten’ van de vriendin van de andere partij. Dit is niet zozeer een verhaal over gemaskerde vechters; het is een verhaal wiens mysterie je tot het eind nieuwsgierig zal houden, wiens humor het lezen een genoegen maakt; het is ook een verhaal over wereldvreemdheid en vriendschap, en over mensen met een missie die ze niet aankunnen. Wat mooi dat dezer dagen makers van superheldenverhalen (als het voldoende grote namen zijn) zoveel artistieke vrijheid kunnen krijgen van de moloch-uitgevers om dit soort pareltjes te creëren.

Bruno Schulz heeft ooit geschreven dat we in onze kindertijd sommige beelden vergaren die van cruciaal belang voor ons zijn; en dat we de rest van ons leven al onze vergaarde wijsheid besteden aan het interpreteren en beheersen van die beelden. Chabon zegt het (als zo vaak) heel fraai in Maps & Legends aan het eind van een artikel over Sherlock Holmes: ‘Tot op zekere hoogte is alle literatuur, van de meest verheven tot puur voor ontspanning geschreven, fan-fictie ... Via parodie en pastiche, toespelingen en eerbetoon, hervertelling en herverbeelding van de verhalen die vóór ons verteld zijn en die ons tijdens ons opgroeien dierbaar zijn geworden ... gaan we verder en zoeken we de lege plekken op de landkaart die onze favoriete schrijvers, in hun grootsheid en verzuim, voor ons hebben opengelaten, in de hoop om aan onze eigen lezers – als we zo gelukkig zijn om die te vinden – iets van het plezier over te brengen dat we zelf hebben gehad in de verhalen die ons dierbaar zijn.’

Dat is wat Lethem subliem heeft gedaan in de ‘literaire’ roman De burcht van eenzaamheid, maar evengoed in de superheldencomic Omega the unknown.

En dat is een reden, naast nostalgische herinneringen aan de superhanddoeken, waarom ik mijn stapel superheldenfavorieten bewaar: ik heb nog wat lege plekjes in te vullen.

‘Yet all mystery resides there, in the margins, between life and death, childhood and adulthood, Newtonian and quantum, “serious” and “genre” literature. And it is from the confrontation with mystery that the truest stories have always drawn their power.’

- Michael Chabon, Maps & Legends

We zijn in een tijdperk aangeland waar superhelden meer zijn dan nostalgie, waar superheldenstrips pulp- en ongekostumeerde literaire helden kunnen opvoeren en desondanks worden gelezen; waar auteurs als Neil Gaiman niet aarzelen om zowel strip, film, genre als literatuur te schrijven en het medium te kiezen dat het best bij een bepaald verhaal past (van Sandman tot American Gods); en waar schrijvers als Chabon en Lethem beelden uit superheldenstrips vermengen met al die andere invloeden die ze tot zich genomen hebben, en zo hun eigen werk en ons leesplezier verrijken.

De superheld, zelfs de superheldenstrip, wordt zo langzaamaan deel van de brede literaire stroming, en vindt zijn plaats in de gereedschapskisten van onze verhalenvertellers.

(c) 2011 Roelof Goudriaan. Alle rechten voorbehouden.

Een eerdere versie van dit artikel verscheen in Holland SF, 2009

 
 
 
 
 

Joomla Templates by Joomla51.com